Dag 4: Beurtbal

Duur

20 minuten
 

Dit heb je nodig

  • Een bal
  • Pen en papier
  • Printje van de 24 woorden 

De opdracht

We gaan een zin maken. Eentje die jullie samen maken met de woorden op de grond. Er liggen 24 woorden waarmee je een zin kunt maken. Woorden mogen meerdere keren worden gebruikt. Maar dat hoeft niet. 

Dag 4: Beurtbal

Voorbereiding (5 minuten)

Print de 24 woorden. Ga met de kinderen in een kring staan. Of maak twee kringen als de groep te groot is. In dat geval zul je de woorden twee keer moeten printen. Leg de spelregels uit. Vervolgens leg je alle vellen met de woorden naar boven middenin de kring. Hussel de woorden goed. Deel twee speciale rollen uit: één kind is schrijver en één kind is tijdbewaker. Zij staan buiten de kring. 

Spelregels (5 minuten)

  1. We gaan samen een zo'n lang mogelijke zin maken met de woorden die op de grond liggen.
  2. Woorden mogen meerdere keren worden gebruikt. 
  3. De zin moet grammaticaal kloppen. Welk verhaal jullie vertellen, mogen jullie helemaal zelf weten.
  4. De jongste deelnemer heeft de bal vast en begint met de zin door een eerste woord te kiezen. Dan gooit hij/zij de bal naar een andere kind. Hij/Zij herhaalt het eerste woord en zegt er meteen een woord achteraan dat op de grond ligt. 
  5. De bal moet dan direct worden doorgegooid. Het volgende kind herhaalt de eerste woorden en kiest meteen een woord om de zin te verlengen. Enzovoort. 
  6. Je mag niet langer dan drie seconden wachten met een woord toevoegen. Als het langer duurt moeten jullie opnieuw beginnen met een zin. 
  7. Ook als de bal valt, begint de zin opnieuw.
  8. Voor grote groepen: Heb je een keer de bal gehad? Dan stap je uit de kring. 
  9. Herhaal het spel net zolang totdat jullie tevreden zijn over het resultaat dat jullie namens de klas of het gezin kunnen insturen.
  10. Vul de regels eventueel aan met eigen afspraken over gooien met de bal.

    Voor de speciale rollen:
  • Schrijver: schrijf de woorden op die je hoort. 
  • Tijdbewaker: zeg “STOP” als het langer dan drie seconden duurt voor iemand een nieuw woord zegt. Dan moet de zin opnieuw beginnen.
     

Aan de slag (10 minuten)

Bijvoorbeeld:
Pim: Een [gooit bal naar Lotte]
Lotte: Een meisje [gooit bal naar Isabel]
Isabel: Een meisje durfde

Wij zijn natuurlijk heel benieuwd welke zin jullie hebben gemaakt. Delen jullie hem?


Kaartjes voor de Efteling winnen?

Laat elke dag zien dat je de TaalChallenge hebt volbracht en maak kans op een schoolreisje voor je klas of weekendje Efteling voor je gezin. Dat kan je doen door via de knop hierboven een batch te delen op sociale media. Je kunt ook zelf het resultaat van de challenge van de dag delen. Gebruik dan de hashtag #TaalChallenge zodat we je post voorbij zien komen. Een derde mogelijkheid is om elke dag jullie resultaat met ons te delen via info@weekvandealfabetisering.nl


De TaalChallenge is mede mogelijk gemaakt door:

Dag 4: Beurtbal

Onze website maakt gebruik van cookies om het gebruik en functionaliteit te waarborgen. Klik hier voor meer informatie over onze cookies.

OK